Spreken

 

Traag spreken, geen dialect en geen tarzantaal... Enkele tips om te spreken in duidelijke taal met laagtaalvaardige collega's.

Analyseer je eigen taalgebruik en oefen met deze tips tijdens een vorming duidelijk gesproken taal.

Hou oogcontact en creëer een veilige context waar Nederlands praten en fouten maken mag.

Beperk je tot de essentie en controleer het begrip via gerichte vragen.

  • Herhaal je uitleg als je merkt dat de klant niet alles heeft begrepen.
  • Deel je uitleg op in kortere stukken als je veel informatie geeft.
  • Geef geen onnodige informatie over je eigen werk. Focus op wat je collega moet weten of doen.

: Eventjes wachten, ik zoek het juiste werkrooster voor u op en geef u een afdruk, daarna doen we samen een kennismakingsrondje in het gebouw en dan laat ik u bij x, die u vandaag een beetje zal inwerken. 
:
Momentje, hier is je werkrooster. Wat moet je doen om 12u? We gaan nu samen rond om kennis te maken met de collega's. Daarna werk je samen met x. Hij zal je alles demonstreren.

Spreek in duidelijke, correcte en korte zinnen.

  • Geef vriendelijke korte instructies.
  • Spreek niet te snel maar wel natuurlijk.
  • Spreek in korte grammaticaal juiste zinnen, Vermijd Tarzantaal (gebroken Nederlands) en dialect.

: Heb jij afspraak met baas? Jij vandaag alleen werken?
: Heb jij een afspraak met de baas? Werk jij vandaag alleen?


Gebruik visuele ondersteuning.

  • Gebruik foto’s, pictogrammen, voorwerpen.
  • Geef een plannetje mee als je doorverwijst.
  • Toon het formulier dat ze ergens moeten gaan halen.
  • Gebruik gebaren.

Gebruik korte alledaagse of internationale woorden.

  • Vermijd figuurlijk taalgebruik.
  • Gebruik woorden die in meerdere talen (bijna) hetzelfde zijn.
  • Gebruik spreektaal en vermijd formele woorden.
  • Pas op met vaktaal. Als je vakjargon gebruikt, leg het woord dan uit.
  • Controleer je taalgebruik met de woordenlijst klare taal.

: nazien/nakijken, meteen, wijziging, melden
: controleren, direct, verandering, laten weten/zeggen