Spreektips

 

Traag spreken, geen dialect en laat Tarzan ook maar in de jungle... Enkele tips om het spreken met anderstaligen te vereenvoudigen en aan te passen.

Onderstaande tips helpen je om met anderstaligen te communiceren.

1. Spreek een beetje trager.

2. Articuleer heel duidelijk.

3. Begin niet luider te spreken.

4. Spreek geen dialect.

5. Gebruik geen Tarzan-taal: vervoeg je werkwoorden, laat geen lidwoorden weg.

Niet: Heb jij afspraak met baas?
Beter: Heb jij een afspraak met de baas?
Niet: Jij vandaag alleen werken?
Beter: Werk jij vandaag alleen?

6. Leg nieuwe of moeilijke woorden uit.

7. Controleer of de boodschap begrepen is.

Niet: Heb je het begrepen? Gevaar op ‘ja-knikken’
Beter: Kan je even herhalen wat je moet doen?

8. Verbeter op een respectvolle manier taal of geef feedback.

  • Geef feedback afhankelijk van het taalniveau, de scholingsgraad, het karakter.
    Als je dit nooit doet: gevaar van krompraten.
    (= bijvoorbeeld: Ik komen naar werk)
  • Geef feedback op een natuurlijke manier.
  • Herhaal de correcte woord/constructie.
  • Wijs eventueel op hardnekkige fouten.

9. Stimuleer werknemers om te spreken.

10. Oefen gesprekken op voorhand.

Telefoongesprekken, gesprekken met externen, werkoverleg of vergaderingen, geef fiches met standaardformuleringen.

11. Grijp elk moment aan om werknemers aan het woord te laten.

12. Organiseer taalcontact: maak gemixte ploegen, taalmeter/peter, ….