'In de puree zitten' kan leiden tot grote misverstanden... Deze 8 algemene tips voor toegankelijk taalgebruik maken het je een pak eenvoudiger.
1. Maak je zinnen zo kort en simpel mogelijk. (max 10 woorden)
Niet: Vooraan in de onthaalbrochure die u gekregen hebt, zit een formulier dat u moet invullen.
Wel: Je hebt de onthaalbrochure gekregen. Vooraan zit een formulier. Je moet dat formulier invullen.
2. Gebruik geen schrijftaal of stadhuistaal.
Niet: Heb je je contract reeds ondertekend?
Wel: Heb je je contract al getekend?
Niet: Gelieve ons te verwittigen, indien je niet kan komen.
Wel: Wil je ons verwittigen, als je niet kan komen?

3. Gebruik simpele, transparante woorden.
Niet: werkzaamheden, woonachtig…
Wel: werken, woon…
4. Pas op met beeldspraak. Gebruik je wel gezegdes, leg ze dan uit.
Niet: Zo, het zit erop!
Wel: Het werk is gedaan!
Niet : Ik zit in de puree.
Wel : Ik heb een groot probleem.
5. Bij het geven van instructies:
- Gebruik dezelfde structuur bij veel gebruikte instructies.
- Geef de instructie op de plaats van de actie.
- Demonstreer en of ondersteun met foto’s en tekeningen.
Voorbeeld gevisualiseerde werkinstructie - Geef niet te veel informatie in één keer bij instructies of een uitleg. Faseer je informatie.
Bv. Eerst moet je het paswoord ingeven. - Dan moet je het programma installeren. - Daarna kan je starten. - Zet kernwoorden op papier.
6. Gebruik geen onnodige vaktaalwoorden.
Bepaalde typische vaktermen zijn niet evident voor nieuwe collega’s ( anderstaligen en Nederlandstaligen).

7. Gebruik verschillende manieren om woorden uit te leggen
- met gebaren en mimiek,
- met een demonstratie: Ga naar de machine/ het toestel en toon hoe het werkt,
- met duidelijke foto’s, tekeningen of pictogrammen,
- met voorbeelden in een betekenisvolle context,
- met eenvoudige synoniemen of tegengestelden.
Niet: afgelopen week
Wel: vorige week
Niet: Je moet aanwezig zijn.
Wel: Je moet er zijn.
8. Wees voorzichtig met vertalingen.



Website by