Interactief lesgeven

Interactie tijdens de les? Dat lijkt evident. Maar sta je als docent niet dikwijls lang te praten en zeggen je cursisten niets? Enkele werkvormen die ervoor zorgen dat je cursisten meer spreekkansen krijgen.


Cursisten horeca Werkvormm  © Katrien van Boxel

Brainstorm 

  • Je laat je cursisten spontaan ideeën of suggesties weergeven.
  • Dit is een goede manier om een grotere opdracht in te leiden.

Woordspin

  • Schrijf het hoofdbegrip (bv. socialisatie) midden op een leeg A4.
  • Trek een cirkel om dit woord.
  • Trek lijnen naar alle kanten als de draden van een spinnenweb.
  • Wat schiet je te binnen als je aan dit begrip (bv. socialisatie) denkt?
  • Schrijf aan het eind van iedere lijn een woord dat je te binnen schiet.
  • Maak groepen van woorden die bij elkaar horen.

Om ter snelst

  • Dit zijn oefeningen gebaseerd op competitie tussen twee groepen.
  • Bv. Bedenk 5 gevaren van een huisapotheek of welke materialen kan je gebruiken om een muur te bezetten.

Denken – delen – uitwisselen

  • Laat de cursisten eerst zelf nadenken over een vraag.
  • Daarna vormen de leerlingen groepjes en wisselen ze hun informatie uit.
  • Bv. De cursisten noteren eerst individueel welke waarden ze van hun ouders hebben meegekregen. Daarna wisselen ze per twee of drie deze info uit.

Genummerde hoofden

  • Je maakt groepjes en je geeft hen een opdracht.
  • Iedere cursist in de groep krijgt een nummer. Zo zorg je ervoor dat alle cursisten zich bemoeien met het overleg in de groep en dat moeilijke dingen aan zwakkere cursisten worden uitgelegd tot ze het begrijpen. Op die manier leren alle cursisten bij.
  • Na overleg wordt aan een willekeurig nummer het antwoord gevraagd. Dat nummer vertegenwoordigt de hele groep.

Pars pro toto

  • Latijnse benaming voor ‘deel voor het geheel’.
  • Alle cursisten leveren een deel van het totaalproduct. Ze zijn afhankelijk van elkaar om de opdracht tot een goed einde te brengen.

Experts

  • De klas wordt in groepjes verdeeld.
  • Elk groepje krijgt een deel van de leerstof.
  • Aan de hand van opdrachten verwerken de cursisten de leerstof. Ze zorgen ervoor dat ze alles begrijpen en dat het ook aan de andere cursisten kunnen uitleggen.
  • Daarna gaan de ‘experts’ naar een andere groep om hun deel van de leerstof uit te leggen.

Carrousel

  • Je verdeelt je klas in groepjes en je laat hen een verschillende opdracht uitvoeren.
  • Je geeft iedere groep een naam of een kleur. 
  • Daarna herverdeel je de klas en je zorgt ervoor dat de groepjes zodanig zijn samengesteld dat alle kleuren vertegenwoordigd zijn.

Resultaten vergelijken

  • Je cursisten vergelijken hun oplossingen bij een opdracht met elkaar.
  • Het is niet de bedoeling dat het bij juist/fout blijft, maar dat ze aan mekaar kunnen uitleggen hoe ze tot die oplossing zijn gekomen.

Informatiekloof

  • Cursist A en B moeten samen een opdracht uitvoeren. Maar A heeft de info die B heeft niet en andersom.
  • De cursisten hebben elkaar nodig om de opdracht tot een goed einde te brengen.