Duidelijk spreken

Traag spreken, geen dialect gebruiken, geen Tarzantaal, ... Welke tips kan je nog toepassen?

Spreek in duidelijke zinnen.

  • Spreek niet te snel, maar ook niet te traag.
  • Geef vriendelijke instructies.
  • Spreek in grammaticaal juiste zinnen. Gebruik geen Tarzantaal.
    Heb jij afspraak met trajectbegeleider?
    Heb jij een afspraak met de trajectbegeleider?
    Jij vandaag alleen komen?
    Kom jij vandaag alleen?
  • Begin niet luider te spreken.

Gebruik duidelijke woorden.

  • Spreek geen dialect.
  • gebruik internationale woorden.
    bellen
    telefoneren
  • Pas op met figuurlijk taalgebruik
    Zie je dat zitten?
    Wil je dat doen?
  • Pas op met schooltaal en vakjargon
    Je mag die woorden gebruiken, maar leg ze goed uit.

Controleer of de cursist je begrijpt.

Heb je het begrepen? (De cursist zal waarschijnlijk altijd ja-knikken)
Kan je even herhalen wat je moet doen?

Verbeter op een respectvolle manier of geef feedback

  • Geef feedback afhankelijk van het taalniveau, de scholingsgraad, het karakter.
  • Geef feedback op een natuurlijke manier.
  • Herhaal zelf met het juiste woord of de juiste constructie.

Visualiseer de boodschap.

Gebruik pictogrammen, foto's en voorbeelddocumenten.